Vaak ben ik bang dat wat ik schrijf niet goed genoeg is. Ik doe het als hobby, zeg ik dan luchtig, maar ondertussen hoop ik in stilte dat mijn hobby ooit werk wordt. Werkelijkheid. Dat ik kan leven van zinnen, van gedachten, van observaties. Net zo goed als ik nu leef. Misschien zelfs beter. Maar die hoop staat voortdurend op wankele benen, omdat ik zelf wankel. Omdat ik te onzeker ben. Over alles.
Dat is het vreemde. Op mijn werk functioneer ik. Ik lever. Ik beslis. Ik praat met overtuiging. En toch knaagt daaronder dezelfde vraag: bestaat mijn werk morgen nog wel? Doe ik het wel goed? Had ik mijn jongensdroom moeten volgen en advocaat moeten worden? Of had ik me dan nu net zo goed afgevraagd of ik bestaansrecht had, nu zelfs de advocatuur langzaam wordt aangevreten door AI, en alleen de procesadvocaten nog mogen doen alsof ze onmisbaar zijn.
Angst is een veelzijdig beest. Ze kruipt niet alleen in je hoofd, maar ook in je handen, je borst, je slaapkamerrituelen. Als mijn kinderen slapen, leg ik mijn oor bij hun mondjes om te luisteren of ze nog ademen. Als ze vallen, check ik hun gewrichten. Bewegen ze nog. Alles uit angst. Angst als zorg, zorg als angst. En onder alles ligt dezelfde overtuiging: ik doe iets fout. Ik zal iets fout doen. Ik héb iets fout gedaan, al weet ik nog niet wat.
Ik ben niet uniek. Dat stelt gerust en verontrust tegelijk.
Søren Kierkegaard noemde angst “de duizeling van de vrijheid”. Niet omdat er gevaar dreigt, maar omdat we kunnen kiezen. Omdat elke keuze ook een afgrond opent van alles wat we níét kiezen. Angst is bij hem geen stoornis, maar een bewijs van menselijkheid. Wie geen angst kent, leeft niet vrij, maar mechanisch. (Kierkegaard, The Concept of Anxiety, 1844)
Martin Heidegger ging nog een stap verder. Angst, zei hij, onthult ons bestaan zelf. In angst valt de wereld even stil, verliezen dingen hun vanzelfsprekendheid, en blijven wij over met de kale vraag: dat ik er ben, en dat ik ooit niet meer zal zijn. Angst is geen vijand, maar een moment van waarheid. (Heidegger, Sein und Zeit, 1927)
De psychologie pakte het praktischer aan. Sigmund Freud zag angst als een alarmsignaal: het ego dat waarschuwt voor innerlijk conflict. Angst is niet het probleem, maar het symptoom. Het wijst op verdrongen verlangens, op spanning tussen wie we zijn en wie we denken te moeten zijn. (Freud, Inhibitions, Symptoms and Anxiety, 1926)
Carl Jung maakte het persoonlijker. “Waar je angst is, daar ligt je taak,” schreef hij. Angst markeert precies datgene wat je moet integreren, niet vermijden. Wie angst ontwijkt, blijft klein. Wie haar aankijkt, wordt heel. (Jung, Modern Man in Search of a Soul, 1933)
En dan is er de oude, rustige stem van de Stoa. Epictetus stelde droog vast: “Het zijn niet de dingen zelf die ons verontrusten, maar onze oordelen over die dingen.” Angst ontstaat niet door wat gebeurt, maar door wat wij denken dat het betekent. (Enchiridion, ca. 125 n.Chr.) Geen therapie, geen analyse. Alleen discipline in denken.
Misschien is dat de rode draad. Angst wil niet opgelost worden. Ze wil begrepen worden. Ze is geen fout in het systeem, maar een signaal dat je leeft, kiest, liefhebt, verantwoordelijkheid draagt. Dat je schrijft, niet omdat je zeker bent, maar omdat je niet anders kunt.
En misschien is volwassen worden niets anders dan dit: leren leven zonder garanties. Schrijven zonder belofte. Liefhebben zonder verzekering. Werken zonder zekerheid dat het blijft. Kinderen laten slapen zonder de illusie dat je alles kunt controleren.
Ik schrijf dus niet ondanks mijn angst.
Ik schrijf dankzij haar.
