Het moet ergens rond 2008 zijn geweest.
Ik werkte in een tijdschriftenfabriek. Een plek waar tijd werd verpakt. Dikke pakken glanzend papier, strak in plastic, uit het omsnoeringsband gesneden en op een rolbank gelegd. Aan de andere kant van die rolbank stond iemand anders die ze weer in kratjes schoof. En zo ging het door. Uren. Dagen. Altijd door.

Prachtig werk.
Superleuk.

Mijn moeder was twee jaar eerder overleden. In 2006. We hadden afstand gedaan van de erfenis, om niet ook haar schulden te erven. Wat ik wél had behouden, was haar donkerblauwe Golf II. Een auto die toen al oud was, zeker naast de nieuwere modellen. Er was al een Golf vier, misschien zelfs al een vijf. Maar niet zó oud dat je je ervoor hoefde te schamen. Hij reed. Hij deed het. En hij was van haar geweest.

Op een ochtend reed ik een groot verkeersplein op. Zo’n onlogisch plein, met een stoplicht voor rechtsaf dat eigenlijk nergens voor diende, omdat de rijbanen pas honderden meters later samenkwamen. Later is dat stoplicht ook weggehaald. Maar toen stond het er nog.

Ik zag het licht van groen naar oranje springen. Ik reed onder de maximumsnelheid, gaf iets gas en nam het oranje mee. Er speelde gezellige muziek uit de krakerige boxen. Het voelde licht. Gewoon onderweg naar werk.

Twee afslagen verder, bij de afslag die ik moest hebben om bij de fabriek te komen, dook hij ineens voor me op: een grote Volvo V70. Oranje en blauwe strepen. Aan de zijkant in grote letters: POLITIE. Met daarboven, alsof het ironie moest zijn, waakzaam en dienstbaar. Want wat is gezag zonder slogan.

De auto ging voor me rijden. Ik moest stoppen.

Er stapten twee grote Hollandse mannen uit. Breed. Kaal. Zelfverzekerd. Ik draaide mijn arm bijna uit de kom om het raampje naar beneden te krijgen. Een tennisarm van staal en frustratie.
“Rij- en kentekenbewijs,” zei de agent. Meer kwam er niet uit.

Ik pakte mijn papieren rijbewijs en begon te zoeken naar het kentekenbewijs. De agenten liepen zwijgend om de oude Golf heen. Keken. Draalden. Maten. Ik werd steeds zenuwachtiger. Mijn hart klopte in mijn keel. Uiteindelijk vond ik, na veel te lang zoeken, het juiste papier.

“Tsja,” zei de tweede agent, nog groter en kaler dan de eerste. “U reed door rood op het verkeersplein.”

Ik stamelde. “Nee… nee hoor. Dat is niet zo. Hij sprong van groen naar oranje.”

De agent zakte iets door zijn knieën, alsof hij zich op mijn niveau moest begeven.
“Noem jij mij nou een leugenaar?” zei hij. “Wij hebben geteld. 21, 22, 23, 24. En toen zagen we jou er nog doorheen gaan. En er zit altijd hetzelfde aantal seconden tussen dat jouw licht rood wordt en de onze groen.”

Ik keek hem aan. Angstig. Maar ook logisch denkend.
“Maar dat kan toch niet?” zei ik. “U wist toch niet dat precies úw licht groen zou worden toen u daar stond. Dan moet u terug in de tijd tellen. Of telt u bij elke auto die er rijdt telkens opnieuw die vier seconden?”

Ze zuchtten. Zichtbaar geïrriteerd.
“Wij vinden het erg vervelend dat u twijfelt aan wat wij doen,” zei de eerste. “Wij zijn verkeerspolitie.”

Op dat moment verdween de angst. Er kwam iets anders voor in de plaats. Iets hards.
“En ik werk in een fabriek,” zei ik. “En het is heel vervelend dat ik nu een hele dag werk voor een boete voor een overtreding die ik niet heb begaan.”

De agent haalde zijn schouders op. Het interesseerde hem niet. Hij begon te schrijven. Geen twijfel. Geen gesprek. Geen ruimte.

Ik keek op mijn horloge. Ik wist dat door blijven praten niets zou veranderen.
Ik wilde huilen.
Ik wilde schreeuwen.
Ik voelde woede.
Ik voelde onmacht.

Alles in mij wist dat dit fout was. Dat dit geen recht was, maar macht. Dat ik hier niets tegenin kon brengen zonder het erger te maken.

De agent vroeg wat mijn verklaring was.
Ik zei alleen:
“In mijn beleving reed ik niet door rood.”

Hij schreef het op.
Gaf me het gele doordrukpapiertje.
Het bedrag was absurd.

Ik slikte.
Ik nam afscheid.
Ik reed weg.

Dat was de eerste keer dat ik bewust met racisme te maken had. Daar ben ik zeker van. En vanaf dat moment besloot ik verder te gaan onder de naam van mijn moeder. Niet die van mijn vader.

Hoe trots ik ook ben op mijn Arabische roots. Op Arabische namen.
In Nederland werd het mij moeilijk gemaakt.

Na 2001 waren Arabieren moslims.
Moslims waren verdacht.
Verdacht was vijandig.

En ergens op dat verkeersplein, in een oude Golf, met een boete die nooit had mogen bestaan, begreep ik:
als ik Jansen had geheten, was dit nooit gebeurd.

En dat besef raak je nooit meer kwijt.