Ik was altijd fan van Dave Chappelle.
Niet op de manier waarop je fan bent van een voetbalclub of een sneakermerk, maar op de manier waarop je blijft hangen bij iemand omdat je voelt dat er iets onder zit. Iets wat niet netjes is afgelakt. Iets wat schuurt.

Chappelle’s Show was mijn jeugd. Ik ben van 1985. Achttien was ik. Op die leeftijd dat je denkt dat je de wereld snapt, maar in werkelijkheid alleen net genoeg begrijpt om alles te wantrouwen. Precies toen Chappelle opkwam. En nee, laat ik eerlijk zijn: ik vond de sketches vaak helemaal niet zo briljant. Rick James? Op een gegeven moment was ik het zat. Ik ergerde me. Maar de man zelf… die liet me niet los.

Hoe ouder ik werd, hoe meer ik hem ging volgen buiten de sketches om. Interviews. Stiltes. Weggaan. Terugkomen. En vooral: zijn stand-up. Dat was geen comedy. Dat was iets anders. Iets cultachtigs. Iets gevaarlijks. Alsof je keek naar iemand die niet grappen maakte, maar observaties deed die toevallig grappig waren.

Chappelle werd geboren in Washington D.C. in 1973, als zoon van academici. Geen straatjongen met een microfoon, maar een denker met timing. Op zijn veertiende wist hij al dat hij stand-up wilde doen. Op zijn negentiende stond hij in Def Comedy Jam. Hollywood kwam snel, maar paste nooit echt. Films, roem, geld. Hij proefde ervan en spuugde het weer uit. Het beroemdste moment: hij liep weg van een contract van vijftig miljoen dollar, midden in het succes van Chappelle’s Show. Niet omdat hij gek was, maar omdat hij voelde dat hij een karikatuur van zichzelf werd. En misschien nog erger: een karikatuur die anderen nodig hadden.

Hij verdween. Letterlijk. Afrika. Stilte. En toen hij terugkwam, was hij scherper. Rustiger. Harder. Minder bezig met lachen om het publiek, meer met lachen naar het publiek. Zijn Netflix specials zijn geen optredens meer, het zijn essays. Gesproken columns. Filosofie met een punchline.

Onlangs dropte hij zijn nieuwste show: Unstoppable. En ironischer kan een titel bijna niet zijn, want Chappelle oogt allesbehalve onstuitbaar. Hij oogt moe. Niet uitgeblust, maar verzadigd. Alsof hij weet dat hij niets meer hoeft te bewijzen. Hij heeft een contract met Netflix, ja. En hij levert. Rauw. Old school. Steeds beter, vind ik zelf. Steeds minder bezig met applaus, steeds meer met waarheid.

Het moment van release was slim. Terwijl half internet keek naar Jake Paul die klappen kreeg van Anthony Joshua, verscheen Chappelle. Jake Paul heb ik overgeslagen. Niet uit desinteresse, maar uit principe. Er zijn mensen die te veel aandacht krijgen voor te weinig inhoud. Chappelle is het tegenovergestelde.

Critici zijn niet mals. Dat zijn ze al jaren niet. En dit keer bekritiseert hij Israël. Niet één keer, maar meerdere keren. Zonder nuance die je geruststelt. Zonder disclaimer. Gewoon zoals hij altijd doet: zeggen wat hij ziet, en jou dwingen te voelen wat je daarvan vindt. Ik vermoed dat dit zijn laatste show is. Niet omdat hij gecanceld wordt, maar omdat hij zelf klaar is. Omdat hij niet meer hoeft.

Misschien is dat wel zijn grootste kracht geweest: altijd kunnen stoppen. Altijd kunnen weglopen. Van geld. Van roem. Van applaus. En daarom bleef hij relevant. Daarom bleef hij gevaarlijk.

Chappelle is geen comedian meer. Hij is een spiegel. En spiegels worden zelden geliefd. Maar ze zijn noodzakelijk.