Op 3 januari ging ik naar Circus Renz Berlijn.
De wintereditie. In Zaandam.
Bij het uitstappen van de auto werd ik onmiddellijk overvallen door de geur van cacao. Zo’n geur die je niet vraagt of je er zin in hebt. Hij is er gewoon. Dwingend. Misselijkmakend bijna. En tegelijkertijd: een tijdmachine. Ik was ineens geen veertiger meer, maar acht, misschien negen jaar oud. Mijn oma woonde aan de Parallelweg. Niet ver van station Zaandam. Niet ver van het centrum van Zaanstad. De cacao hing daar altijd in de lucht. Soms warm en troostend. Soms zwaar en weeïg. Volgens kinderen rook het naar een toilet dat te lang niet was schoongemaakt. Maar het hoorde erbij. Het was Zaandam.
Bij binnenkomst viel alleszins mee. De voortent was netjes gerestaureerd. Gezellig zelfs. Er was moeite gedaan. Dat zag je. De prijzen daarentegen waren stevig. Maar goed, een circus moet ook leven. Het zijn vast geen makkelijke tijden. Vier euro voor een kartonnen bekertje warme chocolademelk. Zonder slagroom. Dat is niet mals. Niet voor de poes. Niet iets wat je achteloos afrekent zonder even te slikken. Een zakje popcorn volgde. Ouderwets. Zoet en zout door elkaar. Niet vanwege een vernieuwend culinair concept, maar door domme onoplettendheid. Dat proef je.
De acts waren leuk. De clowntjes kennen we inmiddels wel. Ze doen hun best. Altijd. Dat moet je ze nageven. Met de dieren bleef het wringen. Ik vind het zielig voor de paarden en de kamelen. Al is het duidelijk minder geworden. De dompteurs met tijgers zijn verdwenen. De olifanten ook. Dat is winst. Wat overblijft zijn circuspony’s die in de pauze, tegen betaling, rondjes lopen met kinderen op hun rug. En een act met paarden en kamelen. Zielig? Ja. Maar je ziet ook iets anders. De dresseur houdt oprecht van zijn dieren. Dat zie je aan zijn ogen. Aan zijn lach. Aan de manier waarop hij ze beloont. Hij praat tegen ze. Zacht. Liefdevol. En die liefde maakt voor mij, vreemd genoeg, veel goed. Niet alles. Maar veel.
De acrobatiek is waar het circus zichzelf redt. Daarvoor kom je. De vrouw die tot in de nok van de piste klimt en zich draaiend laat vallen, hangend in doeken of aan een lamp. Dat maakt indruk. Dat doet iets met je maag. Met je ademhaling. Ook de jonge Marokkaanse acrobaat die met vuur speelt, fakkels jongleert en zich vervolgens langs een hoge paal naar beneden laat glijden alsof zwaartekracht een suggestie is. Prachtig. Echt prachtig. Dat is vakmanschap. Dat is schoonheid.

Alles bij elkaar was het een fijne avond. De kinderen blij. Mijn vrouw blij. Ik blij. Happy wife, happy life. Zo simpel kan het soms zijn.
Toch bleef er iets hangen. Iets kleins. Maar storends. Aan het einde nam de spreekstalmeesteres het woord. Waarschijnlijk ook de eigenaresse. In het Nederlands, met een onmiskenbare Duitse tongval, loodste ze ons eerder al in hoog tempo langs de acts. Aan het einde hield ze een slotwoord.
“Ik ben nu 44 jaar,” zei ze, “en vanaf jong meisje ben ik actief in het circus. Van het puntje tot in de hoogste nok. Op de paarden. Alles heb ik gedaan. Elke dag staan wij klaar om met gevaar voor eigen leven jullie plezier te bezorgen.”
En daar schuurde het.
Alsof de wereld haar bij geboorte had gesmeekt circusartiest te worden. Alsof het circus een noodlot is. Een offer. Zonder circus geen leven. Ik vond het een vreemde opmerking. En eerlijk gezegd ook een tikje arrogant. Het gelijkstellen van circusartiesten met politieagenten, brandweerlieden of soldaten gaat mank. Een brandweerman riskeert zijn leven om dat van anderen te redden. Een politieagent ook. Dat is dienstbaarheid. Dat is noodzaak. Een circusartiest riskeert zijn leven om geld te verdienen. Omdat hij of zij dat leuk vindt. Omdat het hun vak is. Dat is iets anders.
De avond was mooi. Warm. Geslaagd. Maar als ik mevrouw Renz één ding mocht meegeven, dan zou het dit zijn: verander de eindspeech. Het circus hoeft zichzelf niet groter te maken dan het is. Het is al mooi genoeg.
