Natte sokkies en Spinoza

Het sneeuwt. Veel sneeuw. Meer dan Nederland gewend is. Of meer dan Nederland normaal vindt. Of meer dan Nederland aankan. Geef het een naam. Extreme neerslag. Code wit. Klimaatdingetje. Wie het weet mag het zeggen. Feit is dat alles stiller werd en tegelijk chaotischer.

Ik wilde naar kantoor rijden. Dat ging niet lukken. Verre van. Ik werkte thuis. Het was niet anders. En het ging eigenlijk best goed. Tot de kinderen thuiskwamen. Drie stuks. Vol energie. Vol geluid. Vol leven. En plots verdween elke illusie van concentratie.

Om half vier had ik een onlinebijeenkomst. Een belangrijke. Die van eerder op de middag had ik gemist. Niet rampzalig. Ik was daar niet per se nodig. Hooguit aan het eind. Maar die van half vier was anders. Die deed ertoe.

Dus spoedde ik mij per tram richting Amsterdam Zuid. De Zuidas. Het World Trade Center. Een plek waar je altijd terecht kunt. Of dat dacht ik.

Dat ging mis. Het WTC werd verbouwd. Gesloten. Geen toegang. Dan blijft er in Amsterdam nog maar één plek over die altijd open is. De OBA. Aan de Oosterdokkade. De andere bibliotheken sluiten om half zes. Deze blijft open tot tien uur. Zo lang had ik het niet nodig. Maar zes uur zou het zeker worden.

Het was er koud. Kouder dan verwacht. Ik hield mijn jas aan tot het echt niet meer kon. Want een serieuze call met een winterjas aan is vreemd. Dus deed ik hem uit.

Het viel me op dat er veel oudere mensen zaten. Normaal is de bibliotheek het domein van mannelijke studenten. De vrouwelijke studenten zitten meestal op de universiteit zelf. Althans dat is mijn observatie. Misschien onzin. Misschien zijn ze slimmer en sneller klaar. Ik weet het niet.

Deze keer waren er ook veel oudere mannen. Aan het werk. Stil. Gefocust. Alsof ze nergens anders meer hoefden te zijn.

Ik zat aan een grote witte tafel. Tussen studenten en werkenden. En toen kwamen er twee jongens aanlopen. Ongure types.

En hoe definieer je onguur. Dat is lastig. Onguur is niet meetbaar. Het heeft niets te maken met kleur of afkomst of achtergrond. Onguur ben je gewoon.

De een droeg een capuchon. Daaronder een nep Louis Vuitton pet. Lang blond sluik haar tot op zijn schouders. Misschien eronder. De ander een Afrikaanse jongen. Moncler jas. Open. Dun. Ze klaagden over de kou. Over natte sokkies. Zo noemden ze het. Sokkies.

Overal merkemblemen. Groot. Schreeuwerig. Sommige duidelijk nep. Andere misschien echt. Maar ook echte nep is tegenwoordig goed nagemaakt.

Ze gingen zitten aan de hoek van mijn tafel. Speelden op hun telefoons. Ze spraken nauwelijks. Keken om zich heen. Observeerden. Alsof ze even nergens bij hoorden.

Na een uur kwam de beveiliger. Een man met een ondankbare baan. Een bibliotheek beveiligen. In Amsterdam vast iets spannender dan in Staphorst. Maar toch.

Hij sprak de jongen aan. Capuchon af. Huisregels. Hard. Onvriendelijk. Hij zei dat er een melding was gemaakt. Waarvan. Waarover. Dat bleef vaag.

De jongens dachten aan de politie. Dat zeiden ze tegen elkaar. Waarom. Waarvoor. Ze snapten het niet.

Even later haalden ze hun telefoons uit de laders. Trokken de stekkers uit de stopcontacten. En dat was het. Missie volbracht.

Ze hadden het nog even over de kou. Over natte sokkies. En verder niets.

En ik merkte dat ik me minder comfortabel voelde. Op een plek waar dat niet zou mogen.

Toen keek ik naar links. En zag ik posters. Spreuken. Citaten van Spinoza. Over denken. Over vrijheid. Over de rede.

En dat was mooi. Heel mooi.

En heel even hoopte ik dat die jongens later die avond. In hun bed. Met hun door openbaar gefinancierde stroom opgeladen telefoon. Zouden opzoeken wie Spinoza was.

Of dat ze het al wisten. En het nog eens lazen.

Dat is de hoop die doet leven.

CategorieënNiet gecategoriseerd