Gisteren was de finale van de Afrika Cup. Een toernooi dat zelden groots is. Niet omdat Afrika geen talent kent, maar omdat het altijd rommelt. Scheidsrechters die het overzicht verliezen, wedstrijden die ontsporen, chaos als constante factor. Dit jaar was geen uitzondering. De finale ging tussen Marokko en Senegal. Ik keek alles, van de eerste minuut tot diep in de verlenging. Niet op het hoofdkanaal, maar op Ziggo 2, waar het commentaar tenminste nog enige lichtheid had. Het spel was wisselvallig, soms rommelig, soms spannend, zelden echt goed. Supporters deden wat supporters doen. Senegalese fans vochten, Marokkaanse fans sprongen en zongen, er werd gesproken over zwarte magie. Kortom, Afrika Cup zoals altijd. Marokko verloor. Dat was jammer. Niet meer dan dat.

En toen gebeurde er iets dat niets met voetbal te maken had. Geert Wilders plaatste een afbeelding van de Senegalese vlag. Daaronder één woord: wollah. Officieel is het wallah. Arabisch. Letterlijk: bij Allah. Een eed. Een bevestiging. In Nederland verworden tot straattaal, vaak gebruikt om mensen te reduceren tot accent, houding en afkomst. En Wilders weet dit. Dit was geen slordigheid, geen grap, geen onschuldige woordkeuze. Dit was berekend.
Wie denkt dat dit een aanval op de islam is, vergist zich. Wie denkt dat dit religiekritiek is, begrijpt Wilders niet. Dit was geen strijd tegen geloof, maar een aanval op mensen. Op Marokkanen, op moslims, op Nederlanders die al jaren gewend zijn om met één woord te worden weggezet als luid, dom, onbetrouwbaar en verdacht. Dat maakt het ernstiger dan provocatie. Het maakt het ontmenselijking.
Het cynische is dat zowel Senegal als Marokko overwegend islamitische landen zijn. Als Wilders werkelijk een probleem had met de islam, zou vreugde over die overwinning onlogisch zijn. Maar het ging hem nooit om religie. Het ging om afkomst. Om etniciteit. Om wie hier volgens hem wél en niet thuishoort. Daarom is dit racisme. Niet per ongeluk, niet ongelukkig geformuleerd, maar doelbewust. Tot op het bot.
Terwijl ik dit schrijf, kijk ik opnieuw naar die post. Niet naar het woord, maar naar de cijfers eronder. Meer dan 123.000 likes. Honderddrieëntwintigduizend mensen die niet alleen kijken, maar bevestigen. Die niet alleen zien, maar instemmen. Dat is geen randverschijnsel meer. Dat is geen luidruchtige minderheid. Dat is massa. En precies dát is het probleem. Niet één politicus met een vileine tweet, maar een samenleving die applaudisseert.
Wilders opereert al jaren op dezelfde manier. Net onder de strafrechtelijke lat, net binnen wat juridisch verdedigbaar is. Altijd beschermd door procedures, advocaten en de bereidheid van dit land om het allemaal maar te laten gebeuren. Hij leeft niet van ideeën, maar van aandacht. Van verontwaardiging. Van likes. Van mensen die zeggen: hij zegt het tenminste. Maar hij zegt niets. Hij reduceert. Hij wijst. En wie wijst, hoeft zelf nooit iets te bouwen.
Het probleem is niet deze tweet op zichzelf. Het probleem is dat we dit normaal zijn gaan vinden. Dat we doen alsof dit debat is. Alsof dit een mening is. Een samenleving kan spot verdragen, ironie, harde kritiek. Maar wat zij niet kan verdragen, is structurele minachting die wordt beloond. Dat vreet aan vertrouwen, aan gelijkwaardigheid, aan het idee dat we hier samen leven.
En daarom moet hier een grens liggen. Niet met geweld, niet met bedreigingen, niet met hysterische verontwaardiging, maar met consequente afwijzing. Met woorden. Met recht. Met het keer op keer benoemen van wat het is. Want wie groepen mensen blijft reduceren tot één woord, één cliché, één sneer, hoort niet thuis in het centrum van het publieke debat.
Vrijheid van meningsuiting is geen vrijbrief tot ontmenselijking. En populariteit is geen moreel argument. Wie liegt, wie reduceert, wie haat normaliseert en daar honderdduizend likes voor krijgt, verdient geen podium maar tegenspraak. Hard, helder en zonder relativering.
Niet omdat hij groot is.
Maar omdat er inmiddels te veel mensen zijn die klappen.