Wie is hier de bossie?

Ik vind dingen best snel grappig. Dat is geen talent, eerder een lichte karakterafwijking. Het soort afwijking waar je prima mee functioneert zolang niemand je verantwoordelijk maakt voor serieuze zaken. Rechtspraak. Luchtverkeer. Of veiligheidsoperaties rond internationale sportevenementen.

Zo las ik vandaag op de NOS-site dat het openen van de Olympische Spelen de finale is voor de Italiaanse veiligheidsdienst. De apotheose. Het moment suprême. Een van de grootste veiligheidsoperaties uit de geschiedenis.

Dat is natuurlijk een forse onderschatting van Benito Mussolini, Il Duce. Die man had veiligheid ook hoog zitten. Zij het met een iets minder verfijnde definitie van mensenrechten. Maar goed. Dat is niet per se grappig. Hooguit wat guitig geformuleerd door de mannen van de NOS. Of vrouwen. Of mannen en vrouwen. Of mensen met een journalistieke achtergrond. Fuck it. Mij krijg je hier niet op. Ik ben een feminist. Ik strijd voor vrouwenrechten. Got ya. Ik zag je al typen.

Wat wél grappig is, echt oprecht grappig, is de naam van de grote baas van het commandocentrum in Milaan. De man die alles overziet. Door de NOS gekscherend ‘Captain’ genoemd. Die man heet dus: Filippo Bosi.

Neem dat even tot je.

Filippo. Bosi.

Dat is geen naam. Dat is een grap die zichzelf heeft geschreven en daarna met pensioen is gegaan.

In mijn hoofd begint het meteen te draaien. Want dit is een internationaal toernooi. Dus Engels is de voertaal. Dat móét. Italianen, Fransen, Duitsers, Amerikanen. Iedereen in slecht Engels met oortjes in. Schermen aan. Spanningsmuziek in mijn hoofd. En dan stormt de minister van Binnenlandse Zaken woedend binnen. Echt woedend. Van dat woedend dat alleen ministers kunnen zijn. Omdat zijn gezag is ondermijnd. Of hij vindt dat. En dat is genoeg.

Met een zwaar Italiaans accent, armen in de lucht, roept hij:

“Who is here the bossie?”

Waarop El Capitano, professioneel, strak in pak, licht beledigd maar beheerst, antwoordt:

“Yes. I am Bosi. Filippo Bosi.”

En daar ontspoort het.

“No! No no no. I am the bossie. I am the minister!”

En Filippo, kalm, bijna verontschuldigend:

“But sir… my name is Bosi.”

En de minister weer:

“I don’t care your name! I am the bossie!”

En dat gaat dan door. Minuten. Uren. Niemand grijpt in. Niemand durft. Want hiërarchie. Want Italië. Ondertussen staan drones stil, satellieten wachten, terroristen worden ongeduldig, maar in Milaan gaat het nergens anders meer over dan over wie de bossie is.

De koffie wordt koud. Iemand hoest. Iemand schrijft iets op een kladblok dat nergens meer over gaat.

En beste mensen, dit kan in mijn hoofd eindeloos doorgaan. Ik zie het haarscherp. Ik hoor het accent. Ik hoor de wanhoop. Ik lach daar hardop bij. Echt hardop. Alleen. Achter mijn laptop. Volwassen man. Kinderen. Huur. Verantwoordelijkheden.

Ben ik gek?

Misschien.

Maar als je hier niet om kunt lachen, dan wil ik je sowieso niet in een commandocentrum. En al helemaal niet bij de Olympische Spelen.