Soms lees je geen reacties onder een artikel, maar autopsierapporten van een beschaving. Ik las het bericht over de schorsing in de Tweede Kamer voor de iftar en daarna de commentaren eronder. Wat me het meest trof was niet de voorspelbaarheid van de boosheid, maar de leegte ervan. Een morele leegte. Het vermogen om in een ander nog een mens te zien lijkt te verdwijnen zodra het woord islam ergens in de buurt verschijnt.
In die reacties ging het niet meer over procedures, parlementaire gebruiken of zelfs over politieke meningsverschillen. Het ging over wantrouwen, vernedering en angst. Een eenvoudige schorsing werd voorgesteld als het begin van een beschavingsbreuk. Alsof een man die na een dag vasten wil eten geen volksvertegenwoordiger meer is, maar een voorhoede van een bezettingsmacht. Alsof een dadel geen dadel meer is, maar een symbool van nationale ondergang.
Die disproportie zegt iets over de tijd waarin we leven. Nederland presenteert zich graag als een land van nuchterheid en redelijkheid, maar onder de oppervlakte groeit een nervositeit die alles vergroot en alles verdacht maakt. Elk gebaar wordt gelezen als strategie, elke religieuze uiting als machtsclaim, elke afwijking als een bedreiging voor de nationale identiteit. Dat is geen analyse meer. Dat is angst die zich vermomt als inzicht.
Het is des te schrijnender wanneer men zich realiseert dat de vrijheid van godsdienst in Nederland geen gunst is, maar een grondrecht. Artikel 6 van de Grondwet beschermt het recht van ieder om zijn geloof te belijden, individueel of in gemeenschap met anderen, zowel privé als in het openbaar. Dat recht bestaat niet alleen voor overtuigingen waar de meerderheid zich comfortabel bij voelt. Juist de minderheidspraktijk, juist de rituelen die niet vanzelfsprekend zijn in de dominante cultuur, vormen de echte test van een vrije samenleving.

Wie een rechtsstaat serieus neemt, begrijpt dat vrijheid niet afhankelijk is van populariteit. Een grondrecht is geen beleefdheidsregeling die wordt ingetrokken zodra een commentsectie zich ergert. Het is een principe dat standhoudt juist wanneer het ongemakkelijk wordt. Anders zou vrijheid niets meer zijn dan de optelsom van culturele voorkeuren.
Wat mij echter het meest treft, is niet de politieke discussie maar de afwezigheid van generositeit. De onmogelijkheid om iets kleins te gunnen zonder meteen het gevoel te hebben dat men iets verliest. Alsof identiteit zo broos is dat zij instort zodra een ander vijf minuten ruimte krijgt. Alsof cultuur niet gedragen wordt door zelfvertrouwen, maar door permanente defensie.
De reacties onder dat artikel laten zien hoe snel burgerschap conditioneel wordt gemaakt. Je mag hier wonen zolang je niet te zichtbaar bent. Je mag deelnemen zolang je niet herinnert aan je achtergrond. Je mag rechten hebben zolang de meerderheid er geen irritatie bij voelt. Dat is geen robuuste democratie. Dat is een samenleving die haar eigen principes begint te wantrouwen.
Het tragische is dat juist degenen die het hardst spreken over Nederlandse waarden vaak vergeten wat die waarden werkelijk betekenen. Beschaving is niet dat je alleen ruimte maakt voor mensen die op je lijken. Rechtsstatelijkheid is niet dat je grondrechten reserveert voor culturele bondgenoten. De ware test van een vrije samenleving is of zij de waardigheid van een minderheid kan beschermen zonder dat die minderheid eerst haar identiteit moet uitwissen.
In het parlement zit een man die zijn tijd en energie inzet voor de democratie van dit land. Of je het politiek met hem eens bent of niet, hij heeft ervoor gekozen deel te nemen aan het publieke leven en verantwoordelijkheid te dragen in het hart van de staat. Daar hoort kritiek bij, dat is vanzelfsprekend. Maar wat hij terugkrijgt is vaak geen kritiek, maar een golf van minachting die zijn aanwezigheid zelf verdacht maakt.
Wanneer een samenleving zover komt dat een eenvoudige vraag om een schorsing voor een maaltijd wordt gezien als een aanval op de nationale cultuur, dan zegt dat weinig over de religie van degene die die vraag stelt. Het zegt veel meer over de fragiliteit van het publieke debat. Over een land dat steeds minder kan verdragen en steeds sneller zijn eigen waarden vergeet.
Een land gaat niet ten onder aan een korte schorsing voor een maaltijd. Een land raakt zijn richting kwijt wanneer het vermogen verdwijnt om elkaar iets te gunnen. Wanneer grondrechten selectief worden toegepast en medemenselijkheid afhankelijk wordt gemaakt van iemands naam, afkomst of geloof.
De echte verloedering zit niet in religieuze zichtbaarheid, maar in morele verschraling. Niet in een verzoek om te eten na een dag vasten, maar in het gemak waarmee een samenleving een medeburger reduceert tot een symbool van alles waar men bang voor is.
Het verdrietige is dus niet dat iemand zijn vasten verbrak.
Het verdrietige is dat een land zijn fatsoen verbrak.