Van foodspot naar eindstation

Ik ben vader van drie kinderen. Dat is geen identiteit, dat is een overlevingsstrategie. Je zoekt geen Michelinster, je zoekt een plek waar je kroost zichzelf fysiek sloopt terwijl jij in relatieve rust iets eet dat warm is en niet direct tot existentiële twijfel leidt. In de Randstad is dat al lastig. Als moslim wordt het een logistieke ramp.

De meeste halalrestaurants hebben een heilig geloof in vierkante meters. Elke centimeter moet renderen. Stoelen. Tafels. Nog een stoel. Nog een tafel. Kinderen leveren niets op. Die eten friet, morsen cola en stellen vragen. Dat wil je niet. Dat kost ruimte. Dat kost geld. Dat kost geduld. Drie dingen waar de horeca een grondige hekel aan heeft.

En toen was daar, onder de rook van Amsterdam, in dat kneuterige provinciestadje dat zichzelf groot vindt: Utrecht. Aan de Proostwetering. Pal naast de snelweg. In een gebouw dat eruitziet alsof iemand “foodcourt” heeft gegoogeld en daarna is gestopt met nadenken. Daar zit Laila Restaurant & Lounge.

Laila noemt zichzelf een foodspot. Dat is horeca voor mensen die het woord restaurant te confronterend vinden. De slogan hangt er ook nog steeds, schaamteloos:

Culinair genieten van de echte Turkse keuken. Voor ieder wat wils.

Dat “ieder” slaat vermoedelijk op iedereen zonder smaakpapillen, hygiënische normen of actieve herinneringen.

Je komt binnen en rechts is een kinderspeelplek. Dat klinkt hoopvol. Dat blijft het exact drie seconden. Links loop je het restaurantgedeelte in en daar begint de realiteit. Het is koud. Niet fris koud, maar tochtkoud. De vloer plakt. Ketchup vormt daar een eigen biotoop. Stoelen zijn smerig op een manier die suggereert dat ze ooit schoon zijn geweest, maar dat moment wordt inmiddels door historici betwist.

Het is geen rommel. Het is opgegeven rommel.

Dan het eten. Vroeger was het al niet goed. Maar slecht kan altijd slechter. Dat is de kracht van de horeca. De shoarma kwam als één compacte massa op het bord. Aaneengeplakt. Half koud. Alsof iemand het met tegenzin had losgetrokken uit een grotere shoarmablok van gisteren. De kipvleugels waren verbrand. Niet krokant, niet gegrild, maar existentieel verbrand. De kipfilet idem. Alles smaakte hetzelfde: het hoeft niet meer.

En alsof dat nog niet genoeg is, sluit ook de service zich naadloos aan bij de algemene lijn van verval. Bij Laila is wachten geen bijzaak, het is het concept. Je bestelt drinken en vervolgens gebeurt er niets. Minuten worden kwartieren. Kwartieren worden levensfasen. Kinderen groeien op. Dorst verdampt. Hoop sterft.

Na eindeloos wachten komt er iets. Niet alles. Een halve bestelling. Twee drankjes terwijl je er vijf hebt gevraagd. Het eten komt zonder drinken, het drinken zonder eten en soms komt er helemaal niets behalve een schouderophaalbeweging. Alsof jouw bestelling een vrijblijvende gedachte was. Een suggestie. Iets waar men intern even om heeft gelachen.

Navragen helpt niet. Dat maakt het zelfs erger. Dan word je aangekeken alsof je iets onredelijks vraagt. Water. Voor je kinderen. Na een uur wachten. Rustig blijven is dan geen opvoedkundige keuze meer, maar een karaktertest.

Dit is geen incident. Geen drukte. Geen misverstand. Dit is structureel. Dit is beleid. Je voelt het in alles. De kou. De viezigheid. Het eten dat zichzelf heeft opgegeven. De bediening die allang mentaal met pensioen is. Laila zit in de fase waarin het geld is verdiend. De kosten zijn eruit. De huizen in Turkije zijn gekocht. En dan verdwijnt kwaliteit als eerste. Dat is geen fout. Dat is een keuze.

Laila was ooit mijn favoriet. Dat is misschien nog het pijnlijkste. Want je kunt veel verdragen, maar teleurstelling doet het meest pijn als je ooit hoop had.

Ik zal je de details besparen over wat er later die avond gebeurde in mijn spijsverteringskanaal. Sommige ervaringen zijn persoonlijk. En sommige dingen hoef je een ander niet aan te doen.

CategorieënNiet gecategoriseerd