Vroeger vond ik het mooi. Iets na twaalven. Als de familie elkaar had afgewerkt met een fijn nieuwjaar, alsof het een administratieve handeling betrof, trok ik mijn jas dicht tot aan mijn kin en liep ik door de straten. Kijken. Naar geld dat werd verbrand. Naar dromen die in milliseconden uiteenspatten tegen een zwarte hemel. Ik heb gevloekt op mistige nachten, gemopperd op ijzel, en ik weet eerlijk gezegd niet meer of het ooit heeft gesneeuwd. Wat ik wél weet: het was kouder. Scherper. Eerlijker.
Nu ben ik veertig. En het boeit me niet meer.
Mijn dochtertje vroeg, bij het zien van al dat vuurwerk, of we dit niet elke dag mochten doen. Dat vond ze prachtig. En ik hoopte juist van niet. Ik zei iets wat je eigenlijk niet tegen een kind zegt, maar toch deed: “Nee lieverd, alles wat mooi is maakt Femke kapot.” Ze keek me aan zoals alleen een kind dat kan doen, met die mengeling van nieuwsgierigheid en totaal gebrek aan context. “Wie is Femke papa? Is dat een juffrouw?”
Ik moest lachen. “Ja,” zei ik, “een soort van juffrouw Bulstronk. Alleen kunnen wij helaas niet zo goed toveren als Mathilda.”
Ze was me al kwijt. Kleurtjes. Dat was genoeg. De knallen nam ze voor lief. Zoals kinderen dat doen. Alles wat niet direct pijn doet, is bijzaak.
Voor mij is nieuwjaar niets. Het is geen belofte. Geen schone lei. Het is doorgaan, met een paar extra vrije dagen. Ik had mezelf dit jaar gegund om niet in Nederland te zijn. Dat kwam er niet van. Helaas. Volgend jaar beter. Of niet. Kerst vier ik ook niet. Saai? Nee hoor. Wat eerste kerstdag heet, bracht ik door op een prachtig comedyfestival, waar ik mezelf nuttig maakte. Tweede kerstdag deed ik dat weer, maar anders. Dat is pas mooi. Beter dan jezelf volvreten aan te duur vlees en doen alsof gezelligheid iets is wat je kunt afdwingen met kaarsen en wijn. Nee. Dit was perfect. Ik heb genoten. Het mocht zelfs iets minder.
En nieuwjaar dan. Nee, ik ga jullie niets wensen. Niet vandaag. De mensen die ik liefheb, wil ik altijd graag zien. Die wens ik op vijf maart exact hetzelfde als vandaag: niets. Want niets is eerlijk. Niets legt geen druk. Niets hoeft niet beter te worden.
En de mensen die ik niet liefheb? Die kunnen vandaag, net als op twaalf april, gewoon lekker de tering krijgen. Ik heb meer mensen lief dan niet, gelukkig wel. Maar de mensen die ik niet liefheb, die weten dat ook. En speciaal voor hen, zeker als je een bolle kop hebt, een spleetje tussen je voortanden, een brilletje op, en van de tien woorden er elf liegt: jullie kunnen allemaal de tering krijgen. Vandaag. Maar ook op twaalf april. En achtentwintig juni. En veertien augustus. En ga zo maar door.
Dat is mijn nieuwjaar. Zonder vuurwerk. Zonder wensen. Maar met helder zicht. En dat, dat is misschien wel het mooiste wat er is.
