Lieve Koning,
U weet dat ik altijd een groot fan van u was. Niet om de titels of het protocol, maar omdat u iets van een verloren tijd bij u draagt, iets warm, menselijks, en ja, soms zelfs rebels. Maar vandaag schrijf ik u met een andere toon, omdat mijn vriend Wesley me vroeg om deze woorden te schrijven. Wesley, die altijd met beide benen op de grond staat en nog gelooft in woorden zoals ze ooit bedoeld waren.
U sprak met president Herzog over de gebeurtenissen in Amsterdam, en u vertelde hoe u en uw vrouw geschokt waren. Geschokt door het geweld tegen de Israëlische supporters die in ons land te gast waren. En dat begrijp ik, echt waar. Maar wat u niet zei – en wat Wesley zo dwarszit – is dat deze 'gasten' ons huis, onze straten, ook niet geheel ongeschonden achterlieten. Ze kwamen, braken iets van onze stilte, iets van ons eigen huis. Was het antisemitisme? Nee, zegt Wesley. Het was een reactie op terreur, een poging om het onrecht een gezicht te geven, misschien zelfs een schreeuw van de straat die niet gehoord wordt. Een stem die te vaak genegeerd is.

En toen sprak u over onze geschiedenis, over hoe we geleerd hebben van kwaad, intimidatie en de verschrikkelijke gevolgen daarvan. Maar Koning, u en ik weten dat onze geschiedenisboeken wat anders leren. Wij, Nederlanders, kennen de VOC-tijd toch vooral als het verhaal van goed opgeleide, brave Hollandse jongens die met bravoure en brute kracht overzee trokken. Minister-president Balkenende zei het zelfs ooit: “We moeten terug naar de VOC-mentaliteit.” Toen was geweld geen taboe, toen was het een trofee. Zo hebben we dat geleerd, toch? Weet u nog? Dat rijtje uit de geschiedenisboeken over "glorie, handel en heldenmoed." Maar we weten allemaal dat die glorie een donkere schaduw had.
Dus misschien, Koning, moeten we ophouden met doekjes om de harde waarheid te winden. Misschien moeten we niet praten over “intimidatie” alsof we daarvan genezen zijn. Wesley vraagt zich af of we niet moeten leren luisteren, zonder direct een oordeel te vellen. Zonder altijd maar te kijken naar wat zich ver van ons afspeelt, en een keer oog hebben voor de pijn die hier, vlakbij, leeft.
Dit is geen aanval, Koning. Dit is een vraag om wat eerlijkheid, een verzoek om openheid. Want soms is de mooiste kant van een verhaal juist dat wat niet gezegd wordt, het beetje ongemak dat ons dwingt om onszelf beter te leren kennen.
Met oprechte woorden en respect,
Een simpele en rebelse onderdaan die zijn koning en zijn vriend Wesley liefheeft