Tien minuten

Ik woon in een hofje. Dat klinkt deftiger dan het is. Bij een hofje denk je aan oude dames achter kanten gordijnen, een waterpomp uit 1732 en een regentenkamer waar ooit wezen werden verdeeld over gezinnen die daar niet om hadden gevraagd. Mijn hofje bestaat voornamelijk uit asfalt.

Je rijdt erin, rechtdoor ligt een parkeervak met een stuk of tien parkeerplaatsen, daar kun je omheen rijden en vervolgens ga je via precies dezelfde weg weer naar buiten. De inrit identificeert zich dan als uitrit. Niemand heeft daar ooit bezwaar tegen gemaakt. Het is misschien wel het meest inclusieve stukje infrastructuur van Nederland.

Maandag moest mijn zoon naar de oogarts. Ik had gerekend op een halfuur. Dat is een fout die volwassenen vaker maken: denken dat een afspraak van een halfuur een halfuur duurt. Na bijna twee uur kwamen we weer buiten, met een recept en de mededeling dat hij een bril nodig had. Dat vond ik vervelend.

Niet omdat ik iets tegen brillen heb. Ik ken uitstekende mensen met een bril. Sommige van mijn beste vrienden hebben glazen voor hun ogen. Maar goede ogen zijn beter. Zoals twee eigen benen beter zijn dan uitstekende krukken. Daar hoeft verder geen maatschappelijke discussie over gevoerd te worden.

Het recept moest thuis in de brievenbus, zodat mijn vrouw na school met mijn zoon naar de opticien kon. Brilletje uitzoeken, montuurtje passen, klaar. Vooruit met de geit. Het leven bestaat voor een aanzienlijk deel uit het oplossen van kleine problemen waarvan je een dag eerder nog niet wist dat je ze had.

Ik gooide het recept door de brievenbus, sprong weer in de auto, want mijn zoon moest inmiddels naar school, reed om het parkeervak heen en stuurde richting uitrit. Daar stond een man. Pensioenleeftijd, schatte ik. Een flinke neus. Verder niets op aan te merken. Ik kende hem niet en hij had mij voor zover ik wist niets aangedaan. Hij stond naast een groenige Opel Astra van een generatie waarin autofabrikanten kennelijk nog geloofden dat donkergroen een emotie was.

De auto leek ongeveer op de kleur van een sloot waarin iets gestorven is. Een lelijke boeren-Mercedes. Sorry. De Opel stond midden op de doorgang. Aan de ene kant staat bij onze inrit een vuilcontainer, iets verderop een boom, en daartussen bevindt zich precies genoeg ruimte om normaal gesproken een hofje te verlaten. Ik probeerde met een vriendelijke glimlach mijn auto tussen de boom en zijn Astra door te wurmen. Niet omdat ik dacht dat het paste, maar omdat automobilisten soms met hun voertuig communiceren. Mijn manoeuvre betekende ongeveer: Beste meneer, volgens mij staat u een beetje in de weg. Of, iets nauwkeuriger: Flikker op.

Hij keek naar mij en gooide geïrriteerd een hand in de lucht. Het universele gebaar voor: Dat past toch niet, idioot. Dat had ik inmiddels zelf ook vastgesteld. Met zichtbare tegenzin stapte hij in zijn Opel. Hij startte hem, zette hem in zijn achteruit en begon de doorgang vrij te maken. Ik dacht dat het probleem daarmee opgelost was. Dat was naïef. Terwijl hij achteruitreed, ging zijn hand opnieuw omhoog. Wachten. Er kwam een auto aan. Ook dat gebaar was geïrriteerd.En daar gebeurde iets merkwaardigs.

Hofje opel max 2mb

Ik werd boos. Niet een beetje geïrriteerd, zoals een beschaafd mens dat wordt wanneer iemand voordringt bij de bakker. Nee. In mijn hoofd reed ik achter hem aan. Ik stapte uit. Ik gaf hem een trap tegen zijn achterlijke hoofd, waarna ik, terwijl hij nog probeerde te begrijpen waarom zijn maandag ineens deze wending had genomen, een prachtige uppercut tegen zijn kin plaatste. Bij het neervallen trapte ik voor de zekerheid nog één keer na. Een goede trap ook. Technisch verzorgd.

Daarna vermoedelijk weer naar huis. Ik deed dat natuurlijk niet. Ik reed rustig het hofje uit. Mijn zoon zat achter mij. Hij moest naar school en binnenkort kreeg hij een bril. Dat leek me voldoende ellende voor één ochtend zonder dat zijn vader onderweg ook nog een gepensioneerde met een groenige Opel Astra bewusteloos hoefde te slaan. Maar terwijl ik reed, bleef iets aan me knagen.

De man had met zijn gebaren duidelijk willen maken dat hij daar maar héél even stond. Alsof tijd een juridische categorie is waarmee verboden gedrag vanzelf toegestaan wordt. Heel even. Tien seconden misschien. Twintig hooguit. Maar volgens mij mocht hij daar helemaal niet staan. Ook niet heel even.

En toen begon mijn hoofd aan een redenering waarvan ik onmiddellijk begreep dat hij moreel niet helemaal waterdicht was, maar die mij desondanks beviel. Want stel dat ik hem heel even had geslagen. Niet uitgebreid. Geen middagprogramma. Gewoon tien seconden.

Eén tik op zijn oog, een keurige uppercut, eventueel een klein schopje na. Daarna meteen stoppen. Dan kon ik toch moeilijk tegen de politie zeggen: jongens, waar hebben we het eigenlijk over? Ik heb die meneer niet de hele ochtend mishandeld. Ik stond daar maar heel even iemand in elkaar te slaan. Nee. Fout is fout. Dat begreep ik.

Natuurlijk begreep ik ook dat iemand tien seconden in elkaar slaan iets anders is dan tien seconden een Opel verkeerd parkeren. Zelfs in Nederland bestaat er nog enige ruimte voor proportionaliteit. De ene overtreding levert mogelijk een boete op, de andere een strafblad en een ingewikkeld gesprek thuis. Maar daar ging het mij niet om. Het ging mij om dat handje. Dat achteloze handje waarmee mensen zeggen: Ja, officieel mag het misschien niet, maar ik ben ik.

Daar zit volgens mij een groot deel van het menselijk tekort in. Niemand vindt zichzelf de man die midden op de weg staat. Wij zijn allemaal mensen die daar toevallig heel even moesten zijn. Wij rijden niet te hard, wij hebben haast. Wij parkeren niet verkeerd, wij moeten alleen iets afgeven. Wij snijden niemand af, die ander reed onnodig langzaam. Wij zijn niet asociaal, de omstandigheden waren uitzonderlijk. En als iemand daar last van heeft, steken we onze hand op. Niet om sorry te zeggen. Om hem te vertellen dat hij even moet wachten.

Misschien was dat wat mij zo kwaad maakte. Niet de Opel. Niet de neus. Niet eens dat afgrijselijke groen. Het was de vanzelfsprekendheid waarmee zijn haast belangrijker werd gemaakt dan de mijne. En tegelijkertijd zat mijn zoon achter me. Binnenkort met bril.

Ik keek naar hem en bedacht dat hij dankzij die bril de wereld straks scherper zou zien. De letters op het bord. De gezichten verderop. Misschien zelfs de mensen die midden op een uitrit staan. Ik hoop alleen dat hij ze niet té scherp gaat zien. Want hoe beter je kijkt naar mensen, hoe ingewikkelder het wordt om van ze te houden.

Bij het stoplicht keek ik in mijn achteruitkijkspiegel. Niemand achter me. De Opel was verdwenen. Ik voelde me alweer belachelijk. Een volwassen man, vader van een kind dat zojuist bij de oogarts was geweest, die in gedachten een gepensioneerde knock-out had geslagen vanwege een verkeerd geparkeerde Astra.

Tien seconden later was ik niet meer boos. Heel even maar. Gelukkig mag dat wel.