Er zijn getallen die alleen bestaan omdat woorden tekortschieten. Zes miljoen. Achtduizend. Drieduizend. Zeventigduizend. Getallen kunnen handig zijn wanneer een ramp zo groot is geworden dat niemand nog de tijd heeft om alle namen uit te spreken, maar daarin schuilt ook hun perversiteit: hoe groter het getal, hoe kleiner de mens. Eén dood kind is een tragedie die zich nog laat voorstellen. Je ziet een jas aan een kapstok die niet meer gedragen zal worden, een bed waarin niemand meer slaapt, een moeder die automatisch twee glazen uit de kast pakt en zich halverwege herinnert dat één glas voortaan voldoende is. Maar zet duizenden dode kinderen achter elkaar en ergens onderweg houdt ons voorstellingsvermogen ermee op. Dan krijgen we statistiek. Tabellen. Grafieken. Nieuwsberichten. We drinken koffie terwijl iemand vertelt hoeveel mensen er vandaag zijn gestorven en vragen daarna of het morgen eigenlijk nog gaat regenen.
Misschien begrijpt Itamar Ben-Gvir dat mechanisme beter dan ik zou willen. De Israëlische minister van Nationale Veiligheid vindt namelijk dat er iedere nacht dertig tot veertig Palestijnen moeten worden gedood. Niet alleen mensen die op dat moment een directe bedreiging vormen. Ook anderen. Hij sprak volgens de NOS over mensen in Gaza die volgens hem het leven niet waard zijn en ontkende hun menselijkheid. Ik heb die woorden een paar keer gelezen, omdat je soms hoopt dat taal zich bij herhaling corrigeert, dat er bij de derde lezing plotseling een komma blijkt te staan die de beschaving alsnog redt, maar die komma kwam niet. Er stond wat er stond.
Dertig tot veertig. Per nacht. Het fascinerende aan zulke getallen is hun bijna bedrijfsmatige precisie. Waarom geen twintig? Waarom geen honderd? Waarom überhaupt een quotum? Dertig tot veertig klinkt als een target dat op maandagochtend tijdens een verkoopvergadering wordt uitgesproken door een regiomanager die vindt dat de cijfers achterblijven. Jongens, vorige maand zaten we gemiddeld op achtentwintig, daar moet echt een tandje bij. Ik wil deze maand dertig tot veertig per nacht zien. Daarna koffie, actiepunten en iedereen weer aan het werk.
Alleen gaat het hier niet om verkochte abonnementen. Het gaat om mensen. Dat laatste woord verdient enige aandacht, juist omdat Ben-Gvir er blijkbaar moeite mee heeft. Een mens is namelijk een buitengewoon onhandig wezen wanneer je hem wilt doden. Mensen hebben namen. Mensen hebben ouders. Ze bewaren oude foto’s waarvan niemand precies weet waarom ze nog niet zijn weggegooid. Ze hebben kinderen die niet willen slapen, broers die te veel praten, vaders die dezelfde grap honderd keer vertellen, moeders die vragen of je wel genoeg hebt gegeten terwijl je drie borden op hebt. Ze worden verliefd op verkeerde mensen, maken ruzie over geld, vergeten verjaardagen, zingen vals in auto’s en hebben dromen die meestal groter zijn dan hun mogelijkheden. Ze zijn kortom hinderlijk concreet.
Daarom moet je, wanneer je mensen op grote schaal geweld wilt aandoen, eerst iets met hun menselijkheid doen. Je moet die afpakken. Dat is geen nieuw inzicht. De geschiedenis heeft ons vaker laten zien dat taal graag vooruitloopt op geweld. Voordat iemand een buurman kan behandelen als ongedierte, moet iemand hem eerst ongedierte noemen. Voordat een kind kan verdwijnen in een getal, moet iemand ervoor zorgen dat wij vergeten dat het een kind was. Ontmenselijking is geen semantisch detail en geen uitglijder van iemand die toevallig een slechte ochtend had. Het is de mentale voorbereiding op iets waarvoor een normaal functionerend geweten anders hinderlijk in de weg zou zitten.

Ben-Gvir maakt die tussenstap bijna overbodig. Hij zegt openlijk wat doorgaans wordt verpakt in eufemismen, veiligheidsjargon en formuleringen die door zes communicatiemedewerkers zijn gladgestreken voordat een minister ze mag uitspreken. Hij zegt dat er mensen zijn die het leven niet waard zijn. Je moet bijna bewondering hebben voor de efficiëntie waarmee hij eeuwen beschavingsgeschiedenis terugbrengt tot één primitieve gedachte: wij zijn mensen en zij niet.
Bijna. Want vervolgens denk ik aan de kinderen. Altijd weer die kinderen. Niet omdat het leven van een volwassen Palestijn minder waard zou zijn, maar omdat een kind ieder politiek excuus belachelijk maakt. Een kind van vier heeft geen geopolitieke strategie. Een meisje van zes heeft geen doctrine over grenzen. Een jongen van acht heeft waarschijnlijk vooral een mening over eten, voetbal, speelgoed of wie er vals speelde. Kinderen hebben het wonderlijke vermogen om de ingewikkelde theorieën van volwassenen terug te brengen tot hun werkelijke proporties. Wij kunnen uren praten over territorium, geschiedenis, terrorisme, veiligheid, religie, vergelding, nederzettingen, grenzen en internationaal recht, maar leg naast al die woorden het lichaam van een dood kind en plotseling blijken veel grote woorden opvallend klein.
Hoeveel kinderen moeten er nog sterven voordat we ophouden hun dood te behandelen als de onvermijdelijke administratieve bijwerking van een conflict? Ik weet het werkelijk niet meer. Volgens de cijfers die de NOS in het artikel noemt, zijn sinds 7 oktober 2023 meer dan 70.000 Palestijnen gedood. Bij de aanval van Hamas op Israël op 7 oktober werden ongeveer 1.200 mensen gedood en 251 mensen gegijzeld. Ook die 1.200 mensen hadden namen. Ook daar waren ouders die hun kinderen verloren, kinderen die hun ouders verloren, families die een lege stoel aan tafel kregen. Het zou in 2026 niet revolutionair moeten zijn om twee gedachten tegelijkertijd in je hoofd te kunnen bewaren: dat de moordpartijen en gijzelingen van Hamas verschrikkelijk waren én dat Palestijnse levens dezelfde menselijke waarde bezitten.
Blijkbaar vragen we tegenwoordig intellectueel topsport wanneer we verlangen dat iemand beide zinnen kan uitspreken zonder onmiddellijk een kamp te kiezen. Alsof mededogen een voetbalwedstrijd is.
Alsof je bij het zien van een dood Israëlisch kind eerst moet controleren welke vlag je in je bio hebt staan voordat je verdriet mag voelen, en alsof je bij een dood Palestijns kind eerst een geopolitiek essay moet inleveren voordat je mag zeggen dat het verschrikkelijk is. Misschien is dat wel een van de meest beschamende prestaties van deze oorlog: zelfs ons verdriet is gepolitiseerd.
Maar Ben-Gvir heeft van die complexiteit weinig last. Hij pleit voor massale deportatie van Palestijnen uit Gaza en zegt dat heel Gaza aan Israël toebehoort. Verschillende landen, waaronder Nederland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Canada, hebben hem een inreisverbod opgelegd. Hij is minister van Nationale Veiligheid, maar voert niet het bevel over het Israëlische leger. Dat laatste is belangrijk om te vermelden, want woede ontslaat een columnist niet van de verplichting de feiten netjes op hun stoel te laten zitten. Ben-Gvir kan dus niet simpelweg zijn gewenste dertig tot veertig doden per nacht bestellen alsof hij roomservice belt.
Maar het feit dat hij het niet kan bevelen, maakt het feit dat hij het verlangt niet minder afschuwelijk. Misschien zelfs het tegenovergestelde. Want ik blijf hangen bij dat woord: nacht. Iedere nacht. Een nacht is voor de meeste mensen het moment waarop de wereld even ophoudt. Je trekt je terug uit je functie, je titel, je uniform en je dagelijkse toneelstuk en wordt weer gewoon een lichaam onder een deken. Zelfs ministers moeten uiteindelijk hun schoenen uittrekken. Ook mannen die over leven en dood praten hebben tanden die gepoetst moeten worden, telefoons die aan een oplader moeten en een kussen waarop hun hoofd terechtkomt.
En daarom vraag ik mij af hoe Itamar Ben-Gvir slaapt. Niet als retorische truc. Ik zou het echt willen weten. Ik wil weten wat er gebeurt tussen het moment waarop een man zegt dat dertig tot veertig mensen per nacht moeten worden gedood en het moment waarop hij zijn ogen sluit. Zit daar nog iets tussen? Een gedachte? Een gezicht? Een seconde twijfel? Hoort hij ergens in zijn hoofd een moeder schreeuwen? Ziet hij een vader tussen beton zoeken naar een hand die misschien nog beweegt? Of heeft hij zijn geweten zo zorgvuldig verbouwd dat er voldoende ruimte is ontstaan voor een goede nachtrust?
Misschien wast hij voor het slapen zijn handen. Dat beeld blijft bij mij. Handen onder stromend water. Zeep. Nog wat zeep. De vingers over elkaar. De nagels. De polsen. Het soort zorgvuldigheid waarmee wij tijdens corona leerden dat twintig seconden ongeveer twee keer Happy Birthday was. Alleen vraag ik mij af hoeveel seconden je nodig hebt om woorden als het leven niet waard van je huid te wassen. Waarschijnlijk oneindig veel.
Want schuld, of in ieder geval de morele verantwoordelijkheid voor wat je publiekelijk verlangt en legitimeert, is een hardnekkig soort vuil. Het trekt niet in de huid maar in de taal. Je kunt je handen schrobben tot het eelt ervan af komt, je kunt een heel blok zeep reduceren tot schuim, maar wanneer je daarna opnieuw voor een camera gaat staan en mensen hun menselijkheid ontzegt, zijn ze alweer vuil voordat de handdoek droog is. Misschien vindt Ben-Gvir zichzelf helemaal niet schuldig. Dat is vermoedelijk de gruwelijkste mogelijkheid. Misschien kijkt hij daadwerkelijk in de spiegel en ziet hij een fatsoenlijke man.
De geschiedenis zit tenslotte vol mensen die verschrikkelijke dingen deden terwijl ze zichzelf als fatsoenlijk beschouwden. Dat is het vervelende aan kwaad: het draagt zelden een bordje met KWAAD erop. Mensen staan ’s morgens op, eten ontbijt, kussen hun kinderen, gaan naar hun werk en kunnen ondertussen overtuigingen koesteren die het bestaan van andermans kinderen vrijwel waardeloos maken. We stellen monsters graag voor als wezens die onmiddellijk herkenbaar zijn, omdat dat ons geruststelt. Puntige tanden zouden handig zijn. Een afwijkende schedel. Desnoods rode ogen. Dan weten we tenminste wie we moeten vermijden.
Maar monsters, voor zover dat woord überhaupt bruikbaar is, hebben meestal gewoon een agenda. Ze hebben afspraken. Ze beantwoorden berichten. Ze lachen. Ze hebben vrienden die zeggen dat ze privé eigenlijk ontzettend aardig zijn. En soms worden ze minister. Ik noemde Ben-Gvir in mijn eerste woede een lul. Dat blijf ik een uitstekend Nederlands woord vinden, al is het in dit geval bijna aandoenlijk ontoereikend. Een lul is iemand die voor je neus een parkeerplaats inpikt. Een lul laat zijn winkelwagen midden in het gangpad staan. Een lul praat tijdens een begrafenis iets te lang over zichzelf. Het woord behoort tot de kleine irritaties van het dagelijks bestaan. Wanneer iemand openlijk spreekt over mensen die het leven niet waard zijn en een dagelijks dodental als wenselijk presenteert, wordt zelfs lul een soort compliment.
Ik zou hem kunnen aanvallen op zijn uiterlijk. Dat is verleidelijk wanneer woede naar een uitweg zoekt. Zijn buik, zijn gezicht, zijn hele verschijning lenen zich vast voor een paar goedkope grappen. Maar dat zou intellectueel lui zijn en, erger nog, het zou afleiden van het enige waarvoor hij werkelijk verantwoordelijk gehouden moet worden: zijn ideeën en zijn woorden. Zijn lichaam heeft niemand ontmenselijkt. Zijn mond wel. Daar zit de lelijkheid.
Niet in een buik, neus, kin of kapsel, maar in het gemak waarmee een politicus zichzelf het morele recht toekent om te bepalen welke groep mensen nog tot de mensheid behoort. Je hoeft Ben-Gvir niet lelijker te schrijven dan hij is. Je hoeft alleen nauwkeurig op te schrijven wat hij zegt en vervolgens niet weg te kijken. Dat is misschien wat mij het meest benauwt aan dit alles: hoeveel wij inmiddels aankunnen zonder weg te lopen van ons dagelijks leven. Meer dan 70.000 doden. Lees dat getal nog eens.
Zeventigduizend.
Mijn hoofd kan daar niets mee. Het uwe waarschijnlijk ook niet. Ons brein is niet gebouwd voor zeventigduizend individuele tragedies. Daarom maken we er één abstract blok van. De doden in Gaza. Vier woorden en klaar. Daarna volgt sport. Maar ze stierven niet met zeventigduizend tegelijk. Dat is belangrijk. Ze stierven één voor één. Eén hart dat stopte. Eén moeder die haar kind verloor. Eén kind dat zijn vader niet meer vond. Eén broer. Eén zus. Eén lichaam. En daarna nog één. En daarna nog één. En daarna nog één. Tot iemand er een getal van maakte omdat niemand ze allemaal meer kon noemen.
Dat is de truc van grote aantallen: ze beschermen niet de slachtoffers, ze beschermen ons. Ze maken het mogelijk om te blijven functioneren. Niemand kan zeventigduizend keer rouwen en ondertussen nog boodschappen doen. Dus comprimeren we het verdriet. We stoppen duizenden levens in één cijfer en zetten dat cijfer onderaan een nieuwsbericht.
Misschien moeten we daarom af en toe weigeren te tellen. Misschien moeten we bij één blijven. Eén Palestijns meisje dat nog leefde. Dat is voldoende. Geef haar desnoods in gedachten een rode jas. Laat haar een hekel hebben aan tomaten. Laat haar slecht zijn in rekenen en goed in tekenen. Laat haar ruzie maken met haar broer omdat hij iets heeft afgepakt. Laat haar later architect willen worden zonder precies te weten wat een architect doet. Laat haar bang zijn voor onweer en gek zijn op haar moeder.
Nu is ze geen Palestijn. Geen statistiek. Geen onderdeel van een bevolkingsgroep. Geen geopolitiek probleem. Ze is een kind. Probeer daarna nog eens te zeggen dat er dertig tot veertig per nacht moeten worden gedood. Dat is wat ontmenselijking nodig heeft om te kunnen functioneren: afstand. Zodra je dichtbij genoeg komt, stort de theorie in elkaar.
Misschien is dat uiteindelijk onze belangrijkste opdracht. Niet nóg harder schreeuwen dan Ben-Gvir, niet hem met dezelfde ontmenselijkende taal beantwoorden, hoe verleidelijk dat soms ook is, maar koppig blijven doen wat zijn woorden onmogelijk proberen te maken. Mensen mensen blijven noemen. Ook wanneer ze Palestijn zijn. Ook wanneer ze Israëlisch zijn. Ook wanneer hun dood politiek slecht uitkomt. Ook wanneer hun bestaan ingewikkeld is voor het verhaal dat iemand probeert te verkopen. Want zodra wij accepteren dat een politicus mag bepalen dat bepaalde mensen het leven niet waard zijn, gaat de discussie allang niet meer over Gaza. Dan gaat zij over de vraag hoeveel beschaving er werkelijk tussen ons en de afgrond zit. Waarschijnlijk minder dan wij graag denken.
Vanavond gaat Ben-Gvir vermoedelijk slapen. Ik ook. U waarschijnlijk ook. Ergens worden tanden gepoetst, deuren gesloten, kinderen ingestopt en telefoons aan opladers gelegd. Het gewone leven is hardnekkig. Misschien is dat zijn grootste schoonheid en zijn grootste wreedheid: ergens stort een wereld in en drie straten verderop vraagt iemand of de vuilnis morgen buiten moet. En misschien wast Ben-Gvir opnieuw zijn handen. Laat hem wassen. Laat het water stromen. Laat hem schrobben tot zijn huid rood wordt. Want sommige woorden krijg je niet meer schoon.Dertig tot veertig per nacht. Het zijn maar zes woorden. En toch passen er verschrikkelijk veel dode mensen in.