Het liefst rijd ik door Amsterdam op een gehuurde Check-scooter. Eerst het haarnetje, dan de helm. Een te grote paars-witte pothelm waarmee ik eruitzie alsof ik onder begeleiding zelfstandig boodschappen mag doen. Dat is veilig voor mij, want het Amsterdamse verkeer verlangt tegenwoordig een mate van overgave die ik doorgaans voor mijn geloof reserveer. Het is ook veilig voor mijn vrouw. Onder die helm kijkt niemand naar me. Geen hond, geen vrouw. Trouw zijn is prachtig, maar het helpt wanneer de omstandigheden meewerken.
Vanaf het Olympisch Stadion rijd ik over de Amstelveenseweg richting de Overtoom. Daar, zo ongeveer bij de Havenstraat, de remise en het voormalige huis van bewaring, begint mijn favoriete stukje Amsterdam. Dat is al zo sinds ik een kleine rebel was en nog dacht dat opstandigheid iets was waarmee je de wereld kon veranderen. Inmiddels ben ik tevreden als ik ergens kan zitten zonder dat iemand vraagt of ik nog iets wil bestellen.
Vandaag hing de zon laag. Het licht bleef even aan de gevels hangen en maakte de stad zachter, alsof iemand voor mijn komst had opgeruimd. Amsterdam is de mooiste stad van West-Europa. Dat vind ik zonder alle steden van West-Europa te hebben bezocht. Voor sommige overtuigingen moet je vooral niet te veel onderzoek doen.
Bij een stoplicht bleef ik staan. Normaal vind ik dat een persoonlijke belediging, zo’n rood licht. Je hebt ergens voor betaald, de minuten lopen door en vervolgens bepaalt een paal dat je nog even moet wachten. Maar vandaag mocht het. Uit de restaurants kwamen geuren van knoflook, gebakken vlees en iets wat ik niet kon thuisbrengen maar onmiddellijk wilde eten. Achter de ramen zaten mensen rustig tegenover elkaar, terwijl vlak voor hun neus fietsers, scooters en auto’s probeerden als eerste de rest van hun leven te bereiken.
Ik keek naar een man die uitgebreid zijn brood in een schaaltje doopte. Hij had nergens haast mee. Misschien had hij zijn leven uitstekend ingericht. Misschien wachtte hij al drie kwartier op zijn hoofdgerecht. Van buitenaf is geluk moeilijk te beoordelen.
Er klonk muziek uit een open deur. Een auto voegde daar ongevraagd een baslijn aan toe. De bestuurder wilde kennelijk zeker weten dat ook mensen die hem nooit hadden ontmoet iets van zijn binnenwereld meekregen. Ergens lachte een vrouw. Twee mannen voerden een gesprek waarvan ik alleen het woord ‘serieus’ verstond, drie keer, wat me deed vermoeden dat minstens één van hen moeite had geloofd te worden.
De lucht streek langs mijn handen en kroop mijn mouwen in. Het was net iets te fris. In Amsterdam is het weer meestal bezig iets anders te worden dan je had gehoopt. Toch dacht ik: lekker. Een prachtig Nederlands woord. Je kunt er eten mee beoordelen, het weer, een mens, een stoel. Een complete beschaving die haar hoogste waardering ook gebruikt voor een gehaktbal.
Het licht werd groen en ik reed verder. Voor me aarzelde een auto met een buitenlands kenteken. Daarnaast aarzelde een auto met een Nederlands kenteken. Niemand wist waar hij heen moest, wat de onderlinge verschillen voor even overzichtelijk maakte. Bij een verboden afslag gaf ik Halsema de schuld. Ik weet niet of zij persoonlijk over die afslag gaat, maar ik rijd graag met een aanspreekpunt.

Amsterdam is een dorp waarin iedereen voortdurend probeert via een andere straat thuis te komen. Ik mopper daar graag over. Ondertussen zou ik woedend worden als iemand voorstelde mijn favoriete straat te verbreden zodat ik er sneller doorheen kon. Ik wil er goed kunnen rijden, maar niet dat iedereen dat kan. Op zulke momenten begrijp ik iets meer van de politiek.
Op de stoep liep een ouder stel hand in hand. Ze liepen langzaam en bleven tegelijkertijd staan voor een etalage. Er was geen overleg nodig. Verderop hing een jonge vrouw tegen een jonge man aan. Hij probeerde met haar aan zijn lijf om een geparkeerde fiets heen te lopen. Ze moesten erom lachen. Het was nog de fase waarin een obstakel iets toevoegt aan de relatie.
Een klein elektrisch tweezittertje zoefde voorbij. Twee jongens erin, klaar voor een avond waar ze vermoedelijk al de hele middag over spraken. Even later nog zo’n ding, met iemand die ik onmiddellijk indeelde bij de nepkakkers van de Apollolaan. Goedkope sociale huurwoning, dure zonnebril, heel graag ergens bij willen horen. Hoe ik vanaf een scooter zijn huurprijs had vastgesteld, wist ik niet. Ik beschik over opmerkelijk veel mensenkennis zolang niemand doorvraagt.
Bij het volgende stoplicht stond hij weer naast me. Hij keek op zijn telefoon en glimlachte. Misschien had iemand geschreven dat hij werd verwacht. Misschien stuurde zijn moeder iets onbenulligs. Ineens vond ik het een beetje vermoeiend dat ik zelfs van een onbekende jongen eerst een karikatuur moest maken voordat ik hem gewoon door de stad kon laten rijden.
Ik was op weg naar mijn vaste plek. Hij was ergens anders naar onderweg. De man met het brood zou straks afrekenen, het oudere stel zou elkaars hand misschien even loslaten om een sleutel te zoeken. Overal gingen levens verder waarvan ik alleen een paar seconden mocht zien. Een gezicht, een beweging, een lach door een open deur. Meer kreeg ik niet. Toch had ik er de hele weg iets van gevonden.
Ik hoopte dat ze het licht op de gevels hadden gezien. Dat er tussen hun afspraken, berichten en verkeerde afslagen ook even ruimte was geweest voor die geur uit een restaurant. Dat ze ergens halverwege hadden gedacht: ik ben nog niet waar ik moet zijn, maar hier is het ook goed.
De jongen naast me stopte zijn telefoon weg. Het werd groen. Ik liet hem voorgaan.
Onder mijn belachelijke helm rook ik nog even de knoflook.